Nederlandse deelneming aan een stabilisatiemacht in Irak
06-06-2003
Op 11
april jl. hebben de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Defensie
het parlement geďnformeerd over het voornemen van de regering de wenselijkheid
en de mogelijkheid van Nederlandse deelneming aan een stabilisatiemacht in Irak
na beëindiging van het conflict te onderzoeken (23432, nr. 105). Op 16 mei jl.
heeft de Ministerraad besloten een verkenningsmissie naar Irak te zenden. Dit
besluit is schriftelijk meegedeeld aan de Tweede Kamer. Mede met het oog op
nader overleg met de vaste commissies voor Buitenlandse Zaken en voor Defensie
informeren wij u hierbij, mede namens de Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking, conform artikel 100 van de Grondwet en aan de hand
van het Toetsingskader 2001, over het besluit van de regering van 6 juni jl.
tot een bijdrage van een bataljon mariniers, en de daarbij behorende
ondersteunende eenheden aan de multinationale stabilisatiemacht voor Irak.
Kern van het besluit
Het kabinet heeft tijdens de vergadering van de Ministerraad van 6 juni jl.
besloten met een bataljon mariniers en de daarbij benodigde ondersteunende
eenheden bij te dragen aan een multinationale stabilisatiemacht voor Irak voor
de duur van zes maanden, met de mogelijkheid tot verlenging. Verlenging van de
Nederlandse bijdrage, naar het zich laat aanzien wederom voor een periode van
zes maanden, vergt een nieuw besluit. De Nederlandse eenheden zullen, op
verzoek van de Britten, worden ingezet in het zuiden van Irak, in de provincie
Al-Muthanna (zie bijgevoegd kaartje). Deze provincie valt onder de
verantwoordelijkheid van een Britse divisie. De operationele commandolijn loopt
derhalve via het Britse divisie-hoofdkwartier en vervolgens via het Amerikaanse
hoofdkwartier in Bagdad naar het Amerikaanse Central Command (CENTCOM), dat de
militaire aansturing coördineert.
In deze brief wordt nader ingegaan op de aandachtspunten die in
het Toetsingskader zijn opgenomen.
Gronden voor deelneming
De Nederlandse opvatting ten aanzien van het conflict in Irak is op 18 maart
jl. verwoord in een brief aan de Kamer. In deze brief stelde de regering onder
meer dat zij zich zou concentreren op de aanpak van problemen in de fase na het
conflict. Een militaire bijdrage zou in dit geval overwogen worden.
In de situatie die in Irak is ontstaan na het door de Verenigde
Staten en het Verenigd Koninkrijk geleide militaire optreden, en het verdwijnen
van het regime van Saddam Hoessein, zal vergaande internationale betrokkenheid
– ook op militair vlak – vereist zijn. Mede met het oog op de stabiliteit in de
regio zijn het behoud van de territoriale integriteit van Irak evenals
binnenlandse veiligheid en stabiliteit van groot belang. Veiligheid en
stabiliteit zijn ook voorwaarden voor humanitaire hulpverlening en de
wederopbouw van het land. Mede hierdoor zal het Iraakse volk zo snel mogelijk
in staat kunnen worden gesteld te beslissen over zijn eigen politieke toekomst
en zullen verantwoordelijkheden zo snel mogelijk kunnen worden teruggegeven aan
de daartoe geëigende Iraakse instellingen. Niet alleen in de onmiddellijke
nasleep van de militaire campagne, maar ook in de periode tot aan de
installatie van een volledig bevoegde, representatieve Iraakse regering, is de
presentie van een multinationale stabilisatiemacht in Irak een vereiste.
Mede als gevolg van intensieve Nederlandse contacten met leden
van de Veiligheidsraad bevat de op 22 mei jl. in de Veiligheidsraad aangenomen
resolutie bepalingen over bijdragen van lidstaten aan de stabiliteit en
veiligheid in Irak. Zo wordt in de preambule van de resolutie de bereidheid van
lidstaten verwelkomd “bij te dragen aan de stabiliteit en veiligheid in Irak
door het ter beschikkingstellen van personeel, materieel en andere middelen
onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van de Verenigde Staten en het Verenigd
Koninkrijk zijnde “de Autoriteit”. De resolutie stipuleert dat landen die een
dergelijke bijdrage leveren niet worden aangemerkt als bezettende mogendheid.
Tevens wordt een beroep gedaan op alle lidstaten en betrokken organisaties om
het volk van Irak bij te staan bij de wederopbouw van het land, de hervorming
van de overheidsinstanties en het creëren van stabiliteit en veiligheid in
overeenstemming met de resolutie.
VN-Veiligheidsraadresolutie 1483 vormt daarmee naar het oordeel
van de regering de politieke en juridische basis voor de deelneming aan de
stabilisatiemacht die onder gezag van de Autoriteit in Irak zal optreden.
Politieke aspecten
Politieke ontwikkelingen
Onder het Ba’ath regime van Saddam Hoessein was in Irak alle macht
geconcentreerd in de handen van de president en een kleine kring trouwe,
grotendeels soennitische aanhangers. Door het systeem van onderdrukking en
omkoping werd de macht van de centrale overheid gehandhaafd. De in vrijwel alle
geledingen van de maatschappij doorgedrongen Ba’ath-partij speelde hierbij een
cruciale rol. Na vierentwintig jaren van absolute Ba’ath dictatuur onder het
bewind van Saddam Hoessein is met de val van zijn regime en de ontmanteling van
zijn machtstructuur in Irak een vacuüm ontstaan, zowel voor wat betreft de
gestructureerde uitoefening van politieke macht als de handhaving van de
openbare orde en veiligheid.
De Autoriteit zet zich in om een politiek proces onder de Irakezen aan te
moedigen, met het oog op de spoedige vorming van een ‘Iraqi interim
administration’. Deze zal geleidelijk aan steeds meer taken moeten krijgen en
het land moeten voorbereiden op verkiezingen, die op hun beurt moeten leiden
tot een volledig bevoegde, representatieve Iraakse regering. Ook al hebben
oppositiepartijen in ballingschap zich maanden voorbereid op een terugkeer naar
Irak, zij moeten nog draagvlak winnen onder de Iraakse bevolking, die deze
“vluchtelingen” deels met argwaan benadert. Daarbij is van belang dat het
grootste deel van de Iraakse bevolking niet gewend is eigen politieke
initiatieven te ontplooien of zich te organiseren.
Na de val van het oude regime zijn spontaan nieuwe groepen en
partijen ontstaan, die de diversiteit van de Iraakse bevolking weerspiegelen
Deze nieuwe organisaties beschikken echter over weinig bestuurlijke capaciteit.
Dit kan er toe leiden dat voor de verwezenlijking van politieke wensen de weg
van het geweld wordt gekozen. Bij afwezigheid van volwaardige instellingen om
de openbare orde en veiligheid in het hele land voortdurend te waarborgen is de
huidige situatie fragiel en potentieel explosief.
De bestuurlijke rol die de Autoriteit in deze situatie op zich
heeft genomen is weliswaar noodzakelijk, maar slechts van tijdelijke aard. Het
doel is zo snel mogelijk het bestuur over Irak weer aan de Irakezen zelf over
te dragen. Om dit te bereiken zijn nieuwe politieke structuren en instellingen
noodzakelijk die representatief dienen te zijn, met andere woorden die rekening
houden met de diversiteit en complexiteit van de Iraakse samenleving. De
Autoriteit is zowel op nationaal als op lokaal (provinciaal) niveau
verantwoordelijk voor de politieke en bestuurlijke wederopbouw van Irak. Met
deze wederopbouw is door de Irakezen in samenwerking met de Amerikanen een begin
gemaakt. Op 15 en 28 april jl. hebben respectievelijk in Nasiriyah en Bagdad
bijeenkomsten plaatsgevonden waarvan de meeste deelnemers behoorden tot
partijen die tot voor kort uitsluitend buiten Irak actief waren. Deze
bijeenkomsten leveren een bijdrage aan een politiek proces dat moet leiden tot
de formatie van een federale, representatieve, democratische staatsvorm. De
shi’itische groepering “Supreme Council of the Islamic Revolution Iraq” (SCIRI)
– die jarenlang zijn hoofdkwartier in Teheran had - had uit protest tegen de
Amerikaanse aanwezigheid geweigerd aan de eerste bijeenkomst in Nasiriyah deel
te nemen. Bij de tweede bijeenkomst was zij wel aanwezig. Een derde
bijeenkomst, die was voorzien voor begin juni, is geannuleerd. Tevens heeft de
Autoriteit besloten om de vorming van een ‘Iraqi interim administration’ tot
juli a.s. uit te stellen.
De shi’ieten – die met ongeveer 55 – 60 procent de meerderheid
van de Iraakse bevolking vormen – hebben in het verleden relatief weinig
politieke invloed kunnen uitoefenen. In hoeverre ruimte wordt geboden aan de
aspiraties van dit deel van de bevolking is potentieel een van de belangrijkste
bronnen factoren voor de toekomstige stabiliteit van het land.
Bij de inspanningen om spoedig een Iraaks bestuur op te zetten
moet met name rekening worden gehouden met de diversiteit van de Iraakse
bevolking. In grote lijnen moet hierbij gedacht worden aan de volgende etnische
en religieuze onderscheidende factoren: die tussen Arabieren, Koerden,
Turkmenen en de verschillende christelijke groepen, waaronder Assyriërs en
Chaldeeërs. Naar religie worden in Irak binnen de islam soennitische en
shi’itische moslims onderscheiden. Daarnaast kent de christelijke minderheid
verschillende denominaties en linguďstische groepen, en zijn er ook kleine
minderheden van Mandeeën en Yezidi’s. Voor veel Irakezen, met name buiten de
grote steden, spelen ook stamverbanden en regionale herkomst een rol.
Geen van deze onderscheiden kan als een absolute scheidslijn
worden opgevat, al was het maar omdat politiek-ideologische overtuigingen en
sociale verbanden en belangen Irakezen over de verschillen tussen deze
groeperingen heen aan elkaar kunnen verbinden.
De Koerden vormen ongeveer 20 procent van de totale Iraakse bevolking.
Centraal-Irak is Arabisch en overwegend soennitisch en Zuid-Irak is overwegend
shi’itisch. Langdurige afwezigheid van centraal gezag zou ertoe kunnen leiden
dat de verschillende groeperingen in bepaalde gebieden naar de macht zullen
streven. Dit zou, mede gezien de strijd die vermoedelijk hiermee gepaard zal
gaan, vergaande gevolgen hebben voor de gehele regio.
Turkije vreest wegens de eigen Koerdische problematiek voor
separatistische ontwikkelingen in Noord-Irak. Voor Iran is de strategische
machtsverschuiving een belangrijke veiligheidszorg. Iran heeft een intensieve
band met de Iraakse SCIRI en heeft een goede relatie met de Iraakse Koerdische
partij, de Patriottische Unie Koerdistan (PUK). Saoedi-Arabië houdt rekening
met Iraanse invloed op de shi’itische bevolking in zijn buurland. Daarnaast
zijn alle Arabische landen om Arabisch-nationalistische redenen hevig gekant
tegen Turkse en/of Iraanse expansie in Irak. Zij zijn tevens gekant tegen een
lange Amerikaanse aanwezigheid in Irak.
Veiligheidssituatie
De bestaande Iraakse veiligheidsstructuren zijn formeel opgeheven en
grotendeels uiteengevallen. Een deel daarvan, met name de veiligheidsdiensten,
heeft zich volledig gediskwalificeerd. De meeste veiligheidsstructuren zullen
derhalve weer van de grond af moeten worden opgebouwd. Op sommige locaties
heeft de plaatselijke politie weer enkele taken opgepakt.
De huidige veiligheidssituatie in Irak als geheel is nog niet
stabiel. Er is echter sprake van verbetering en het dagelijks leven toont in
sommige plaatsen inmiddels weer tekenen van normalisering. Daarbij zijn er
verschillen tussen de regio’s. In de zuidelijke en noordelijke provincies is de
situatie thans duidelijk beter dan in centraal Irak. De situatie in Bagdad en
omgeving is op dit moment het meest onzeker, getuige de aanhoudende
plunderingen, beschietingen en overvallen ondanks de Amerikaanse presentie in
de hoofdstad. Zuid-Irak kent op dit moment een relatief rustiger
veiligheidssituatie (zie verder onder ‘militaire aspecten’). Ook Noord-Irak
lijkt relatief rustig, ondanks enige spanning tussen de verschillende
bevolkingsgroepen. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat daar waar
relatieve rust bestaat de situatie onverwacht kan verslechteren.
Rol VS, VK
en VN
In VN-Veiligheidsraadresolutie 1483 worden de bijzondere bevoegdheden,
verantwoordelijkheden en verplichtingen van de bezettingsmachten erkend. De
Autoriteit wordt opgeroepen het welzijn van het Iraakse volk te bevorderen door
effectief bestuur van het grondgebied, in het bijzonder door herstel van
veiligheid en stabiliteit en het scheppen van voorwaarden waardoor het Iraakse
volk in vrijheid de eigen politieke toekomst kan bepalen. Hiertoe zal een
‘Iraqi interim administration’ worden opgericht, die in samenwerking met de
Autoriteit en de VN de weg vrij moet maken voor een nieuw representatief Iraaks
bestuur.
De resolutie verzoekt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (SGVN)
Kofi Annan een Speciale Vertegenwoordiger voor Irak te benoemen. Inmiddels
heeft de SGVN de Braziliaan Sergio Vieira de Mello, die eerder betrokken was
bij de wederopbouw van Kosovo en Oost-Timor, als Speciale Vertegenwoordiger
voor Irak benoemd. De benoeming geldt voor vier maanden. De Mello verwacht zeer
spoedig naar Irak af te reizen en blijft tegelijkertijd zijn huidige functie
als Hoge Commissaris voor de Mensenrechten vervullen. De Mello dient
gecoördineerd met de Autoriteit taken te vervullen op het gebied van onder meer
humanitaire hulp, reconstructie, het bevorderen van mensenrechten en justitiële
hervorming. Daarnaast werkt hij mee aan het totstandkomingsproces van een
internationaal erkende Iraakse regering.
Na het beëindigen van het conflict hebben de Verenigde Staten en
het Verenigd Koninkrijk de ‘Office of Reconstruction and Humanitarian
Aid’(ORHA) ingesteld, inmiddels omgedoopt in ‘Coalition Provisional Authority’
(CPA). De CPA heeft de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor Irak en zal, via
CENTCOM en de divisiecommandanten de militaire eenheden in het land aanspreken
op hun taken en verantwoordelijkheden. Indien de CPA bij de ontplooiing van de
Nederlandse eenheden onvoldoende vertegenwoordigd is in de provincie, zal het
Verenigd Koninkrijk de bestuurlijke verantwoordelijkheid namens de Autoriteit
op zich nemen.
Rol van de militaire operatie in het politieke proces
De stabilisatiemacht zal een noodzakelijke ondersteunende rol moeten vervullen
voor het politieke proces, door zich in te zetten voor de veiligheid en de
binnenlandse stabiliteit in Irak die beide een voorwaarde zijn voor het
wederopbouwproces. De stabilisatiemacht wordt geleid door de Verenigde Staten
en het Verenigd Koninkrijk en operationeel aangestuurd door de commandant van
het Amerikaanse hoofdkwartier ‘Central Command’ (CENTCOM) in Tampa. De landen
die deel uit maken van de stabilisatiemacht zullen hun werkzaamheden uitvoeren
onder de Autoriteit, zoals is vastgelegd in resolutie 1483. De Autoriteit
streeft er naar deze taken zo snel mogelijk over te dragen aan de te vormen
overgangsregering die op haar beurt zal moeten worden opgevolgd door een vrij
verkozen, representatieve Iraakse regering.
Economische ontwikkelingen
De economie van Irak verkeert in een deplorabele toestand na decennia van
economisch wanbeleid. Echter, met een van de belangrijkste oliereserves in de
wereld, een relatief goed opgeleide beroepsbevolking en vruchtbare
landbouwgronden heeft Irak de potentie zich betrekkelijk snel economisch te
herstellen. Belemmering hierbij kan de overgang naar een vrije markt zijn,
vooral op het gebied van de voedselvoorziening. Voor het conflict was 60 procent
van de bevolking volledig afhankelijk van voedseldistributie door middel van
het systeem dat in het kader van het Olie-voor-Voedsel programma is opgezet.
Ongeveer 90 procent was gedeeltelijk afhankelijk van deze voedselsteun.
Op 3 juni is de huidige regeling van het Olie-voor-Voedsel
programma afgelopen. In resolutie 1483 is echter geregeld dat het
Olie-voor-Voedsel programma op soortgelijke wijze wordt voortgezet tot 22
november van dit jaar en dan zal worden beëindigd. Dertig dagen voor het einde van
deze periode zal de SGVN verslag uitbrengen waarin ook alle maatregelen worden
voorgesteld voor de definitieve afsluiting en overdracht van de resterende
verantwoordelijkheden aan de Autoriteit. De verlenging maakt de voortzetting
van onderdelen van het programma mogelijk en draagt bij aan de verlichting van
humanitaire noden en aan wederopbouwactiviteiten.
De verkoop van olie valt ook in de nieuwe resolutie niet binnen
het Olie voor Voedsel programma. De export van olie en het besteden van de
inkomsten zijn op andere wijze geregeld. Omdat de sancties in de nieuwe
resolutie grotendeels worden opgeheven kan export van olie met onmiddellijke
ingang starten. De opbrengsten daarvan worden gestort in een wederopbouwfonds
(‘Development Fund for Iraq’).
Humanitaire ontwikkelingen, vluchtelingen en wederopbouw
De humanitaire situatie in Irak is al geruime tijd over de hele linie
zorgwekkend. Van een grootschalige humanitaire ramp in Irak is weliswaar geen
sprake, maar deze kan onder de huidige omstandigheden nog steeds ontstaan. De
primaire publieke voorzieningen zoals het gezondheidssysteem, de toevoer van
water en elektriciteit en de vuilophaal zijn nog steeds grotendeels buiten
gebruik of verkeren in zeer slechte staat, waardoor grote delen van de
bevolking in een precaire situatie verkeren. Als gevolg van het ontbreken van
de toevoer van schoon water, lijden in het zuiden veel kinderen aan diarree en
zijn er enkele gevallen van cholera geconstateerd. Herstel van orde en
stabiliteit is een eerste noodzaak om de hulpverlening in het gehele land op
gang te brengen. Waterzuiveringsinstallaties, riolering,
elektriciteitscentrales en ziekenhuizen moeten bovendien permanent worden
beschermd tegen plunderingen en vernielingen. Transport van noodhulpgoederen
ondervindt over de weg nog problemen vanwege de onvoorspelbare
veiligheidssituatie. Momenteel vinden regelmatig humanitaire vluchten plaats
tussen Larnaka (Cyprus), Amman (Jordanië) naar Basra en Bagdad in Irak ten
behoeve van de humanitaire hulpverlening.
Als gevolg van het militair ingrijpen in Irak zocht een aantal
burgers, vooral vanuit de grote steden, toevlucht tot onderdak elders in het
land. In Centraal- en Zuid-Irak zijn de opgezette kampen voor ontheemden thans
echter bijna leeg. Definitieve sluiting van de locaties lijkt slechts een
kwestie van tijd. Tijdens en na het militair ingrijpen in Irak is geen sprake
geweest van grote aantallen vluchtelingen. Aan de Jordaans-Iraakse grens
bevinden zich zo’n tweeduizend vluchtelingen, voornamelijk Iraniërs en Palestijnen,
en in de buurlanden Syrië en Jordanië bevinden zich slechts enkele tientallen
vluchtelingen in de daarvoor door UNHCR ingerichte opvangkampen.
In Irak bestaat na het regime van Saddam Hoessein, twaalf jaar
sancties en het recente gewapende conflict, grote noodzaak aan wederopbouw van
de economie, (sociale) infrastructuur en overheidsstructuren. Een veilige
omgeving is de belangrijkste voorwaarde voor duurzame wederopbouw. Dit is niet
alleen zo omdat hulpverleners hun werk alleen kunnen doen wanneer de veiligheid
is gegarandeerd, maar ook omdat vertrouwen in blijvende stabiliteit leidt tot
particulier initiatief en investeringen van binnen- en buitenland aantrekt.
De wederopbouw van Irak staat nog in de kinderschoenen. Er is
door een aantal landen en uit restfondsen van het Olie-voor-Voedsel programma
geld beschikbaar gesteld voor wederopbouw. De Verenigde Staten heeft tot nu toe
de grootste bijdrage geleverd. Die fondsen worden via
‘United States Agency for International Development’ (USAID) besteed. USAID heeft daarvoor
reeds een aantal contracten gesloten met bedrijven op het terrein van
watervoorziening en gezondheidszorg. Nederlandse bedrijven dingen mee om als
onderaannemer deel te nemen. In Irak is een begin gemaakt met de herstart van
de olieproductie, tot 22 mei jl. alleen voor binnenlands gebruik. Nu de
sancties zijn opgeheven kan de olie ook naar het buitenland worden verhandeld.
De opbrengsten daarvan gaan dienen als financiële bron voor de reconstructie
middels het genoemde ‘Development Fund for Iraq’. De controle hierop zal worden
uitgevoerd door onafhankelijke accountants, met advisering en monitoren door
een onafhankelijke internationale raad van vertegenwoordigers van de SGVN, de
President van de Wereldbank, de Algemeen Directeur van het ‘Arab Fund for
Social and Economic Development’ en de Directeur van het IMF.
Op 29 april jl. is in Washington door de bewindvoerders besloten
dat het management van de Wereldbank mag besluiten op welk moment zij wil
starten met de ‘needs assessment’ in Irak. Daarmee is voor de Wereldbank de weg
vrij om te beginnen met een inventarisatie van noodzakelijke
wederopbouwactiviteiten en met het opstellen van een wederopbouwplan voor Irak.
Hieraan zal door de Speciale Gezant van de SGVN, in samenwerking met de Autoriteit
en vervolgens de te vormen overgangsregering, uitvoering moeten worden gegeven.
Ook het IMF is betrokken bij de wederopbouw. Zijn betrokkenheid betreft onder
meer advisering over monetaire aangelegenheden en de inventarisatie van de
schuldenlast van Irak. Om de doorstart van Irak mogelijk te maken bepleitte
Nederland een tijdige discussie over Iraks’ enorme schuldenprobleem, allereerst
in Club van Parijs-verband over de bilaterale schulden van het land. Op de
bijeenkomst van 24 april jl. van de Club van Parijs werd deze lijn ingezet
doordat werd besloten dat, als eerste aanzet, een ‘comprehensive assesment’ zal
worden gemaakt van de Iraakse schuldensituatie ten aanzien van Club van
Parijs-crediteuren.
Overigens bepleiten enkele landen dat er, gekoppeld aan
internationale overeenstemming over de schulden van Irak, een regeling komt
voor de bestaande, door de regering van Saddam Hoessein afgesloten, contracten.
Omdat zowel met betaling van schulden als met de genoemde contracten grote
belangen zijn gemoeid, bestaat de kans dat dit in de toekomst tot spanningen
rond de wederopbouw leidt.
In Nederland bestaat een speciale “Task Force” Irak waarin het
Nederlands bedrijfsleven is georganiseerd en waarvan het VNO-NCW en het
Nederlands Centrum Handelsbevordering het secretariaat voeren. Deze “Task
Force” bundelt bedrijven die een rol willen spelen in de wederopbouw van Irak.
Het ministerie van Economische Zaken heeft voor ondersteuning van dit laatste
drie miljoen Euro gereserveerd. Inmiddels is de Nederlandse ambassade in Bagdad
gereactiveerd.
Om wederopbouw mogelijk te maken is behalve stabiliteit en
veiligheid ook herstructurering van de juridische sector van belang. Nederland
overweegt om met name op dat vlak een bijdrage leveren door expertise
beschikbaar te stellen op het gebied van minderhedenbeleid en de verankering
daarvan in een nieuw op te stellen grondwet. Via de EU wordt ook een inzet in
politie en justitie sectoren bepleit.
Mandaat / Juridische grondslag
De grondslag voor het uitzenden van Nederlandse troepen naar Irak is gelegen in
Resolutie 1483 van de VN-Veiligheidsraad. De Regering is van oordeel dat de
bepalingen van deze resolutie voorzien in een dergelijke grondslag. De resolutie is expliciet gebaseerd op hoofdstuk VII van het
VN-Handvest, en roept in haar eerste paragraaf lidstaten en organisaties op
"to assist the people of Iraq in their efforts to reform their
institutions and rebuild their country, and to contribute to conditions of
stability and security in Iraq in accordance with this resolution". Meer in het algemeen
roept de voorlaatste operationele paragraaf van Resolutie 1483 lidstaten
alsmede internationale en regionale organisaties op "to contribute to the
implementation of this resolution". Het verslag van de bijeenkomst van de
Veiligheidsraad waarbij deze resolutie werd aangenomen maakt duidelijk dat
brede overeenstemming bestond over het uitgangspunt dat met deze resolutie een
grondslag wordt gegeven voor het zenden van troepen door lidstaten naar Irak,
binnen het aangegeven kader van de resolutie.
De resolutie maakt in haar preambule duidelijk dat een
onderscheid moet worden gemaakt tussen de Verenigde Staten en het Verenigde
Koninkrijk die in de hoedanigheid van bezettende mogendheid actief zijn in
Irak, en staten die niet die hoedanigheid hebben. Deze vaststelling door de
Veiligheidsraad in een resolutie aangenomen onder Hoofdstuk VII van het
VN-Handvest moet worden opgevat als een gezaghebbend oordeel over de status van
de deelnemende staten, een oordeel dat verplichtend is voor de VN lidstaten.
Paragraaf 5 van de resolutie doet een duidelijke oproep
("calls upon") aan alle betrokken landen (inclusief de landen die
niet als bezetter aanwezig zijn) "to comply fully with their obligations
under international law including in particular the Geneva Conventions of 1949
and the Hague Regulations of 1907". Nederland zal aan deze oproep gehoor
geven.
Deelnemende landen
Het leeuwendeel van de stabilisatiemacht voor Irak zal door de Verenigde Staten
en het Verenigd Koninkrijk worden geleverd. Australië heeft besloten wegens
lopende verplichtingen in Oost-Timor niet ook deel te zullen nemen aan de
stabilisatiemacht. Hierbij volgt een overzicht van de bijdragen die andere
landen overwegen of reeds daartoe besloten hebben:
Denemarken: verkenners/
medisch 380 man·
Italië: 3000 man·
Polen:· 1500 man
Portugal: 120 man militaire politie·
Spanje: bataljon plus· helikopters (maximaal 1350 man)
Slowakije: geniecompagnie (80 man)·
· Tsjechië: hospitaalploeg en transporthelikopters
Roemenië 700 man·
· Noorwegen: 100 man genie eenheid
Hongarije 300 man·
Oekraďne· brigade
Voorts hebben Bulgarije, Slovenië, Albanië, Estland, Thailand,
Filippijnen, Letland, Litouwen, Honduras, Dominicaanse Republiek, Fiji eilanden
toegezegd interesse te hebben in het leveren van een bijdrage aan de
stabilisatiemacht.
Polen zal binnen de stabilisatiemacht de leiding krijgen over
een sector binnen Irak. De Noord Atlantische Raad stemde op 21 mei jl. in met
ondersteuning van Polen hierbij, en heeft zijn militaire autoriteiten de
opdracht gegeven ter zake concrete voorstellen uit te werken. Uitdrukkelijk
gesteld is dat de missie in Irak geen NAVO vlag draagt.
Invloed
De stabilisatiemacht bestaat uit een coalitie van deelnemende landen die wordt
aangevoerd door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Het is van
belang dat de overige troepenleverende landen voldoende betrokken zijn bij de
algemene politiek-militaire beleidsbepaling van de veiligheidsmacht en de
informatie-uitwisseling. Daartoe zal door het Verenigd Koninkrijk voor wat
betreft de Britse sector een “Committee of Contributors” in het leven worden
geroepen, die een nauwe consultatie tussen vertegenwoordigers van regeringen
mogelijk zal maken, analoog aan de procedure die door de Britten is opgezet
voor ISAF en thans ook door Nederland en Duitsland wordt gevolgd voor ISAF.
Troepenleverende landen zullen via nationale vertegenwoordigers in het
operationele hoofdkwartier betrokken zijn bij de militaire commandovoering.
Militaire
aspecten
Tijdens het planningsproces ter voorbereiding van een mogelijke
Nederlandse bijdrage is zo veel mogelijk rekening gehouden met de ervaringen
van eerdere operaties. Gelet op overeenkomsten in samenstelling met de
Nederlandse bijdrage aan United Nations Mission in Ethiopië and Eritrea
(2000-2001), is met name aandacht besteed aan de geleerde lessen van deze
operatie. Conform de richtlijnen van de Chef Defensiestaf zal na beëindiging
van de Nederlandse bijdrage aan de stabilisatiemacht in Irak een
evaluatierapport worden aangeboden aan de Tweede Kamer.
Haalbaarheid
Opstelling van de partijen
Er is in Irak sprake van etnische en religieuze verschillen en
van sociale verschillen tussen de stedelijke en de plattelandsbevolking en
tussen de verschillende stammen. In de provincie Al-Muthanna is de bevolking
shi´itisch (zoals praktisch overal in Zuid-Irak) en grotendeels geconcentreerd
langs de Eufraat. Binnen de shi`itische bevolkingsgroep bestaan diverse
stromingen. Hun politieke activiteiten in de provincie Al-Muthanna zijn tot nu
toe beperkt. Op de achtergrond speelt de shi’itische bevolkingsgroep wel een
actieve rol bij de benoeming van overheidsfunctionarissen en bij de organisatie
van lokale stemmingen.
Thans wordt gewerkt met tijdelijk aangestelde lokale
bestuurders. De huidige - tijdelijke - regionale leider, sjeik Sammi, komt
voort uit een gerespecteerde stam en wordt gesteund door de Verenigde Staten.
Hij is onlangs uit ballingschap naar Irak teruggekeerd. Overige lokale leiders
komen zowel voort uit de stammen als uit de religieuze groeperingen.
De stadsbevolking is in het algemeen de best ontwikkelde
bevolkingsgroep, maar zij is ondervertegenwoordigd in de lokale besturen. Er
bestaat onder de inwoners van de steden steun voor de Autoriteit. Voor het
behoud hiervan is echter de zichtbare verbetering van de levensomstandigheden
cruciaal.
Weer en terrein In een groot deel van Irak heerst een
woestijnklimaat met hitte en droogte en koude winternachten. Vrijwel alle
neerslag valt in de wintertijd, terwijl de zomers kurkdroog zijn. Tussen april
en september loopt de gemiddelde temperatuur overdag op naar 30 tot 40 graden
Celsius. Plaatselijk kunnen beduidend hogere temperaturen voorkomen 50-60
graden Celsius. In juli en augustus schijnt de zon constant en is de gemiddelde
temperatuur 43 graden. Er komen zandstormen voor waardoor het zicht terugloopt
tot minder dan 50 meter. Doordat het stof tot enkele kilometers hoogte kan
komen, ondervindt ook het vliegverkeer soms hinder.
De provincie Al-Muthanna bestaat klimatologisch gezien uit twee
delen. Tachtig procent van de provincie is woestijn, terwijl het noordelijke
deel van de provincie in het stroomgebied van de Eufraat ligt. Hier liggen ook
de voornaamste steden. Het inwoneraantal wordt geschat op 450.000 mensen, met
de kanttekening dat de aantallen moeilijk te bepalen zijn. In de hoofdstad
As-Samawah wonen ongeveer 130.000.
De klimatologische omstandigheden stellen hoge eisen aan mens en
materiaal. Naast de acclimatiseringperiode voor de troepen, dient op medisch en
materieel vlak rekening te worden gehouden met de hitte. Het basispakket en de
aanvullende medicatie en preventieve maatregelen zijn voldoende om de
gezondheidsrisico’s te minimaliseren. Door de grote afstanden vergt de operatie
ook in logistiek opzicht een aanzienlijke inspanning. Hier staat tegenover dat
het wegennet in goede staat verkeert.
Militaire opdracht
De militaire opdracht berust op de VR-resolutie 1483 en het
´concept of operations´ van het Verenigd Koninkrijk. De doelstelling van de
operatie is te assisteren bij de wederopbouw van Irak door het creëren van een
veilige en stabiele omgeving. De Nederlandse bijdrage is gericht op de
ondersteuning van de navolgende specifieke taken waarvoor de bestuurlijke
verantwoordelijkheid berust bij de Autoriteit.
- Het herstel en de handhaving van de veiligheid en de
stabiliteit;
- Het mogelijk maken van activiteiten van humanitaire organisaties;
- Het mogelijk maken van de leveranties van essentiële openbare
nutsvoorzieningen en de infrastructuur die noodzakelijk zijn voor politiek en
economisch herstel;
- Het ondersteunen van coalitieactiviteiten voor de beveiliging en de
ontmanteling van alle locaties die verband houden met massavernietigingswapens;
- De verwijdering van restanten van het regime van Saddam Hoessein;
- De handhaving van de openbare orde;
- De beveiliging en de opslag van militaire uitrusting;
- Het beveiligen van politiebureaus, en financiële en culturele instellingen;
- Het mogelijk maken van betalingen aan lokale werknemers in de
nutsvoorzieningen met fondsen van het ‘Office of Reconstruction and
Humanitarian Aid’ (ORHA), inmiddels omgedoopt in ‘Coalition Provisional
Authority’ (CPA).
Het Nederlandse bataljon ressorteert onder de Autoriteit. Dit
resulteert in taken op het gebied van openbare orde en veiligheid en minimum leefomstandigheden.
Om aan deze taken te kunnen voldoen wordt civiel-militaire
samenwerkingscapaciteit (CIMIC-capaciteit) in de organisatie van het bataljon
opgenomen.
Wijze van optreden
De operatie is gericht op een snelle overdracht van verantwoordelijkheden aan
de Iraakse bevolking; de stabilisatiemacht is er ter ondersteuning en niet ter
vervanging van Iraakse structuren. Gekozen is voor pro-actief optreden, wat wil
zeggen dat zo min mogelijk met checkpoints en patrouilles wordt gewerkt en dat
vooral inlichtingen en informatie de basis vormen voor het optreden. Het
streven is om niet de nadruk te leggen op de militaire aanwezigheid.
Vereist militair vermogen
De Britse divisiesterkte zal worden verminderd van in totaal 43.000 man tijdens
fase III (gevechtsoperaties) naar 15.000 in fase IV (stabilisatiefase). Het
Britse vak bestaat uit vier provincies. Twee provincies zijn bestemd voor een
Britse brigade, één voor een Italiaanse brigade en één voor het Nederlandse
bataljon. Op divisieniveau blijft een Brits bataljon als reserve-eenheid met
volledige gevechtscapaciteiten gehandhaafd.
De Britten achten een versterkt infanteriebataljon met
specialistische ondersteuning nodig voor het uitvoeren van de taken in de
provincie Al-Muthanna. De inventarisatie en de verkenningsmissie die Nederland
hebben uitgevoerd, hebben dit bevestigd. De Nederlandse eenheden zullen vanuit
drie locaties opereren, voorts zullen twee locaties worden ingericht voor
ondersteuningsactiviteiten.
Voor de ontplooiing van de Nederlandse eenheden wordt in eerste
instantie een vliegveld en een haven in Koeweit gebruikt, waarna via Basrah de
logistieke verbinding naar de provincie Al-Muthanna wordt gelegd. Het streven
is op korte termijn het vliegveld in Basrah in gebruik te nemen voor de instandhouding.
Geweldsinstructie (Rules of Engagement)
´Rules of Engagement´ (ROE) zijn opdrachten aan militaire eenheden die
vermelden onder welke omstandigheden, voorwaarden, gradatie en wijze, geweld
mag worden gebruikt. De inhoud hiervan wordt niet openbaar gemaakt. De ROE
worden opgesteld op basis van militair-operationele en juridische overwegingen.
Humanitair-oorlogsrechtelijke, en politieke/diplomatieke overwegingen worden
hier tevens onder geschaard. Dit geschiedt aan de hand van een NAVO document
waarin de richtlijnen voor ROE worden gegeven.
Conform de praktijk in andere vredesoperaties is voorzien dat
Nederland de ROE overneemt van de ‘lead nation’, in dit geval het Verenigd
Koninkrijk. Nederland kan wijzigingen in de geweldsinstructie aanbrengen op grond
van nationale richtlijnen en overwegingen. Hoewel de ROE nog niet definitief
zijn vastgesteld, streeft de regering ernaar dat deze robuust zullen zijn,
hetgeen onder meer betekent dat er ruime bevoegdheden zijn voor ´force
protection´ en het creëren van een veilige en stabiele omgeving. Op basis
hiervan gaat de regering ervan uit dat de ROE voldoende mogelijkheden bieden om
ook in geval van vijandelijkheden of ongeregeldheden de taken uit te voeren.
Bevelstructuur
De gehele operatie in Irak staat onder commando van US CENTCOM, waarbij een
Coalition Forces Land Component Commander (CFLCC) vanuit Bagdad de operatie
aanstuurt. Daartoe is Irak opgedeeld in vier sectoren. De sectoren in
Noord-Irak en rondom Bagdad worden geleid door de Verenigde Staten. Polen heeft
de leiding over een sector en het Verenigd Koninkrijk heeft de leiding over het
zuiden van Irak. Het Nederlandse bataljon zal als zelfstandige eenheid onder
operationale controle staan van de Britse divisie. In het kader van de
NAVO-steun aan Polen is op Pools verzoek besloten enkele Nederlandse militairen
in het Poolse hoofdkwartier te plaatsen. Bovendien grenst het Poolse vak aan
het Amerikaanse vak en maakt de aanwezigheid van Nederlandse militairen een
betere algehele coördinatie mogelijk.
Nederland behoudt overigens te allen tijde het ‘full command’
over de Nederlandse militairen. Via de contingentscommandant ter plaatse zal de
Chef Defensiestaf het mandaat en de militaire opdracht van de Nederlandse
militairen bewaken. Indien nodig zal hij, namens de minister van Defensie,
nadere aanwijzingen geven.
Risico´s
De Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD) heeft op grond van een
scala aan informatie, onder meer uit contacten met zusterdiensten, de risico’s
in kaart gebracht. Vanzelfsprekend zal het risicobeeld voortdurend worden
geactualiseerd.
De militaire situatie in Irak
De veiligheidssituatie in het zuiden van Irak kan als redelijk stabiel worden
gekenschetst, zeker vergeleken met de situatie in Bagdad en het centrale deel
van het land. De hoofdstad van Al-Muthanna, As-Samawah, kent de nodige
criminaliteit, voornamelijk in de vorm van kleinschalige berovingen,
autodiefstal en wapenhandel. In de loop van de maand mei is de criminaliteit
afgenomen.De criminele bendes die in de provincie Al-Muthanna opereren, houden
zich thans vrij rustig en vormen geen echte bedreiging voor de coalitietroepen.
Er moet echter rekening mee worden gehouden dat daar waar relatieve rust
bestaat de situatie onverwacht kan verslechteren.
Het Iraakse leger bestaat niet meer, maar personeel, materieel
en infrastructuur zijn nog wel in het land aanwezig. Naar westerse maatstaven
is het materieel niet bruikbaar voor de opbouw van een nieuw Irakees leger. Het
zou evenwel door andere partijen voor eigen doeleinden gebruikt kunnen worden.
Voor zover bekend zijn in de provincie Al-Muthanna voor de aanvang van de
militaire interventie geen elementen van de Iraakse strijdkrachten ontplooid.
Tijdens het afgelopen conflict is er in dit gebied nauwelijks gevochten. Thans
is een begin gemaakt met de opbouw van een nieuwe Iraakse krijgsmacht.
Factoren die van invloed zullen zijn op de veiligheid van
de stabilisatiemacht De houding van de bevolking ten opzichte van de
stabilisatiemacht wordt in het algemeen als positief beoordeeld. De manier
waarop en het tempo waarin het centrale en lokale gezag wordt hersteld en
vooral basisnutsvoorzieningen als water, elektriciteit en veiligheid, zullen
daarop echter van grote invloed zijn. Ontevredenheid over het herstel van
dergelijke basisnutsvoorzieningen zal niet bevorderlijk zijn voor de steun
onder de bevolking. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de voorzieningen
reeds tot het niveau van voor het conflict zijn hersteld.
Voorts moet rekening worden gehouden met restanten van het oude
regime. Verschillende groepen, zoals de Fedayeen Saddam, Ba´th partijmilitie,
leden van inlichtingen- en voorlichtingsdiensten en andere elementen die
verbonden zijn met het oude regime, kunnen pogingen ondernemen een rol te
spelen in het post-Saddam tijdperk. Naar alle waarschijnlijkheid vormen zij in
het zuiden van het land een minder grote bedreiging dan in Bagdad en andere
delen van centraal Irak.
Een andere factor van invloed op de veiligheid van de
stabilisatiemacht is de manier waarop de verschillende politieke en religieuze
groeperingen met elkaar omgaan. Rivaliteit en machtsstrijd kunnen uitmonden in
het gebruik van geweld. In het zuiden van Irak proberen groeperingen hun claims
kracht bij te zetten door geweld te gebruiken. In de provincie Al-Muthanna wonen
behalve diverse bedoeďenstammen ook gevestigde shi’itische bevolkingsgroepen.
De niet nadrukkelijke aanwezigheid van de veiligheidsmacht, in combinatie met
de voortdurende druk van de internationale gemeenschap, kan wellicht eventuele
onenigheden tussen rivalen beperken.
Vroegtijdige beëindiging van de missie
Vroegtijdig beëindigen van de stabilisatieoperatie kan noodzakelijk zijn
wanneer het politieke proces zodanig wordt verstoord dat de vorming van een
Iraakse regering onmogelijk wordt. Gezien de algehele militaire presentie van
de coalitie is beëindiging van de missie om militaire redenen onwaarschijnlijk.
De verantwoordelijkheid voor ´extraction´ (Brits doctrine begrip) wordt genomen
door het VK en uitgevoerd door de Britse divisie.
Geschiktheid en beschikbaarheid
De Nederlandse krijgsmacht heeft eenheden die zowel geschikt als beschikbaar
zijn voor deelneming aan deze operatie. Op grond van de resultaten van de
verkenningsmissie bestaat er in elk geval behoefte aan:
- een mariniersbataljon;
- een geniecompagnie;
- drie Chinook transporthelikopters;
- een logistiek ondersteuningselement;
- een veldhospitaal met chirurgische capaciteit en beperkte
verpleegcapaciteiten (Field Dressing Station);
- een contingentscommando;
- militaire politie;
- een liaison element bij het Britse hoofdkwartier;
- stafofficieren bij het hoofdkwartier in Bagdad, bij het Britse
divisie-hoofdkwartier in Basrah en bij het Poolse divisiehoofdkwartier;
- CIMIC-capaciteit;
- 50 genisten voor de opbouw van de operatie.
In totaal gaat het om ongeveer 1100 militairen. Bezien wordt nog
of andere landen op bepaalde terreinen een ondersteunende bijdrage kunnen
leveren. Gezien de soms snel veranderende omstandigheden kan het nodig zijn
gedurende de missie de organisatie aan te passen.
Duur van deelneming
De duur van de operatie wordt vooralsnog op twaalf maanden gesteld. De
Nederlandse deelneming geldt voor een periode van zes maanden. Verlenging,
opnieuw voor een periode van zes maanden, vergt een apart besluit van de
Ministerraad en hernieuwde consultaties met de Kamer. De samenstelling en de
omvang van de Nederlandse bijdrage kunnen op dat moment, al naar gelang de
behoefte, worden herzien.
Financiën
De raming van de additionele uitgaven voor Nederland op grond van de in deze
brief omschreven eenheden kan op dit moment nog slechts een algemeen en
voorlopig karakter hebben. Dit hangt voor een belangrijk deel samen met de
verdere uitwerking van de logistieke aspecten en hiermee samenhangende
financiële gevolgen.
De voorlopige raming berust op een aantal aannames, zoals een
uitzendduur van zes maanden van ongeveer 1100 militairen, strategische
verplaatsing van personeel door de lucht en transport van materieel over zee.
Beide vormen van transport worden commercieel ingekocht op een rustige markt.
Huisvesting geschiedt op "low comfort basis" buiten de bestaande
infrastructuur op verscheidene locaties. Hierbij wordt zoveel mogelijk gebruik
gemaakt van bestaande defensiemiddelen. Voor logistieke ondersteuning wordt
zoveel mogelijk gebruikgemaakt van defensiemiddelen en waar mogelijk
teruggevallen op capaciteit van de Britse Divisie. Financiële middelen voor
CIMIC-activiteiten zijn niet in deze begroting opgenomen. Pas na een
inventarisatie van de behoeften op CIMIC-gebied worden de financiële gevolgen
duidelijk. Rekening houdend met deze uitgangspunten worden de totale kosten
geraamd op ongeveer 65 miljoen euro.
De additionele uitgaven zullen ten laste komen van het artikel
vredesoperaties van de HGIS-begroting. Waarschijnlijk zal tweederde van deze
additionele uitgaven in 2003 tot realisatie komen en éénderde in 2004. Omdat er
in 2003 niet voldoende middelen beschikbaar zijn op de post ‘additionele kosten
vredesoperaties’ zullen deze binnen de HGIS worden vrijgemaakt om deze post op
te hogen.
De minister van Buitenlandse Zaken
Mr J.G. de Hoop Scheffer
De minister
van Defensie
H.G.J. Kamp