Nederlandse betrokkenheid: juli 2003 tot heden

Krijgsmachtdeel: landmacht, luchtmacht, mariniers, marechaussee


Achtergrond

Op 17 januari 1991 begon de Golfoorlog, die ten doel had de Irakezen te verdrijven uit het door hen in augustus van het jaar daarvoor bezette Koeweit. De strijd werd gevoerd door een grote coalitie van landen, onder aanvoering van de Verenigde Staten, en eindigde begin maart met het beoogde resultaat. In de daaropvolgende wapenstilstand was de voorwaarde opgenomen dat Irak zich zou ontdoen van zijn massavernietigingswapens, onder toezicht van wapeninspecteurs van de Verenigde Naties: Unscom. Die kweten zich met wisselend succes van hun taak, maar in december 1998 had de sabotage door Irak zulke vormen aangenomen, dat de inspecteurs hun biezen pakten. De Irakese tegenwerking en de afwezigheid van controle voedden de angst dat het regime van Saddam Hoessein nog steeds bezig was met de productie van massavernietigingswapens. In de loop der jaren legde Irak alle oproepen om de VN-inspecteurs weer toe te laten en opening van zaken te geven over zijn wapenprogramma's naast zich neer. Mede vanwege de terreuraanslagen van 11 september 2001 besloten de Amerikanen deze weigering niet langer te tolereren. Ze drongen er bij de Veiligheidsraad van de VN op aan dit voorbeeld te volgen. Onder deze toegenomen druk stemde het Irakese bewind op 16 september 2002 toe in de terugkeer van de wapeninspecteurs. Die wisten echter niet de door de VS gehoopte resultaten te boeken, terwijl de Irakezen doorgingen met obstructie te plegen. Uiteindelijk nam de Veiligheidsraad in november 2002 resolutie 1441 aan, welke Bagdad een laatste kans bood eerdere resoluties uit te voeren, op straffe van 'ernstige gevolgen'. In maart 2003 concludeerden Amerikanen en Britten dat Irak onvoldoende medewerking had verleend en zij besloten tot gewapende actie. De coalitie bestond ditmaal uit minder landen dan in 1991. De Amerikanen leverden weer de hoofdmoot van de strijdkrachten, de Britten waren een goede tweede. Verder deden er Special Forces uit Australië mee en waren er kleinere contingenten uit Midden-Europese landen als Polen en Tsjechië van de partij. In de vroege ochtend van 20 maart 2003 werd de Irakese hoofdstad aangevallen door vliegtuigen en kruisraketten. Die zelfde avond begon de grondcampagne. De coalitie rukte snel op en veroverde op 9 april Bagdad. Vijf dagen later viel het laatste bolwerk van Saddam Hoessein: zijn geboorteplaats Tikrit. Op 22 mei 2003 nam de Veiligheidsraad resolutie 1483 aan, welke voorziet in de instelling van een stabilisatiemacht in Irak: SFIR. Deze functioneert onder bestuurlijke verantwoordelijkheid van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk en is nadrukkelijk geen instrument van een bezettende mogendheid. Zij moet de Irakezen assisteren bij de wederopbouw van het land, de hervorming van overheidsinstanties en het creëren van stabiliteit en veiligheid.


Samenstelling SFIR

De Amerikanen en Britten leveren het gros van de troepen. Daarnaast doen elf andere landen zeker mee en heeft een zelfde aantal toegezegd dit te overwegen. Als operatieterrein van SFIR is Irak onderverdeeld in drie sectoren, waarbij de Polen de eenheden in het noorden, de Amerikanen die het midden en de Britten die in het zuiden aansturen. De totale omvang van de stabilisatiemacht staat nog niet vast.


Nederlandse deelname

De eerste 25 militairen van de Nederlandse krijgsmacht vertrokken op 2 juli naar Irak. Zij vormden de voorhoede van een contingent van circa 1100 man, met als harde kern een bataljon mariniers (± 650). De bijdrage van de landmacht (± 230) bestaat voornamelijk uit een genie-eenheid, die van de luchtmacht (± 90) uit een helikopterdetachement met drie Chinooks en de marechaussee is present met een detachement militaire politie (25). In principe neemt ons land voor zes maanden deel in SFIR, met de mogelijkheid tot verlenging met een zelfde periode. De militairen moeten de vrede bewaren in Al-Muthanna, een woestijngebied groter dan Nederland, dat in het zuiden van Irak ligt en binnen de Britse sector valt.